| lyric | 1. ""Wel Anne-Marieke, waar gaat gij naar toe?"" „’k Gane naar buiten al bij de soldaaten!“
2. „Wel ANne-Marieke, wat gaat gij daar doen?“ „Haspen en spinnen, soldaatjes beminnen!“
3. „Wel Anne-Marieke, hebt gij er geen man?“ „Heb ik geen man, ik krijge geen slagen!“
4. „Wel, Anne-Marieke, hebt gij er geen lief?“ „’k Heb er niet één, ik heb er wel zeven!“ |