| lyric | 1. Daar reed een boer naar Leuven, naar Leuven reed een boer. Hij kwam Marieken tegen, Marieken zei: „Bonjour!“
Ref.: Bonjour! Bonjour! Met de linkerteen met de rechterteen. Bonjour! Bonjour! Met de voetjes tegeneen. Bonjour! Bonjour!
2. Ze keken naar elkander, Marieken en die boer. En reden dan tezamen, een voegl riep: „Bonjour!“
3. De restkunt ge weil raden, van Mieke en denboer. Het lied van alle tijden, begon met een bonjour. |