| lyric | 1. Er is een jonge maagd gelegen, z’is van gratie zeer vervuld, hoort, wat dat zij heelt gekregen, eenen zoon, een vetten smul. t’was Jesus van Nazarenen, die zoo bitterlijk lag te weenen. Sus, sus, sus, kleen Kindetje, sus, uwen wille die was zoo, dus.
2. Sint Joseph stand in benauwen, met zijn hoedje in zijn hand, nevens onze Lieve Vrouwe, t'was droeiheid ten allen kunt. En alwaar hi i hem wendde, hij en zug niet als ellende. SuS, sus, sus . . . (usw.) 3. Sim Joseph die moest gaan zoeken, barrevoets en zonder schoen; haut en kolen moest hij zoeken en het was zeer we] van doen. En er was noch doek noch Iuiermande, t'Kindetje lag te kleppertanden. Sus, sus, sus . . . (usw.) |