| lyric | 1. Will achten waarde huisman schoon, wat ik Uzal verhalten, hoe dat God zijn eigen zoon voor ons deed nederdalen.
2. Hij is al van Zijn Vader gegaan, voor ons als borg weer opgestaan voor die uitverkoren daar is Hij voor geboren.
3. T Bethlehem al in een stal, daar lag het kind in doeken, een wonder voor ons menschen al, och, mocht men Hem maar zoeken!
4. Hij is nu weer het dierbaar pand, hij zit nu aan God’s rechterhand; och, mocht men Hem maar vrezen, Hij wil tot borg ons wezen.
5. Nu wensch ’k U, huisman schoon, en vrouw dat God ook U mag zijn getrouw, nu wensch ik U tezamen geluk en voorspoed, amen. |