| lyric | 1. Des winters, als het regent, dan zijn de paadjes diep, ja diep! Dan komt het vissertje al vissen in dat riet.
Met zijne riifstok, met zijne strijkstok, mit zijne lapzak, mit zijne knapzak. Mit zijne lere van dire dom dere, met zijne lere leersjes aa.
2. Dat loze moolnarinnetje ging in der haar deurtje staan, ja staan! Omdat het vissertje voorbij haar heen zou gaan.
Met zijne riifstok, met zijne strijkstok, mit zijne lapzak, mit zijne knapzak. Mit zijne lere van dire dom dere, met zijne lere leersjes aa.
3. Wat jeb ik you misdreven, wat heb ik jou misdaan, da daan? En dat ik niet met vreden voorbij jouw deur mag gaan?
Met zijne riifstok, met zijne strijkstok, mit zijne lapzak, mit zijne knapzak. Mit zijne lere van dire dom dere, met zijne lere leersjes aa.
4. Gihj hebt mij niets misdreven, gij hebt mij niets misdaan, ja daan! Driemaal mij zoenen, eer gij von hier moogt gaan.
Met uwe riifstok, met uwe strijkstok, mit uwe lapzak, mit uwe knapzak. Mit uwe lere van dire dom dere, met uwe lere leersjes aa. |